De sprong wagen
Hoe diep het is, weet je pas als je erin ligt
1.
R. is zo’n man waarvan je moeder zou zeggen dat je ‘m niet moet vertrouwen. Hij heeft een tatoeage van Winnie de Pooh op zijn rechterbil, het doorgaans schattige pluizige honingbeertje steekt in deze uitvoering zijn middelvinger op. Op zijn andere bil staat het hoofd van zijn beste vriend. Gisteravond heb je gehoord hoe hij het met een andere hostelgast lag te doen op het dakterras, hun lichamen maakten doffe harde klappen op het beton. Het klonk niet als iets om over naar huis te schrijven, dus dat deed je niet. Je sms’te je moeder “dat jij en S. leuke nieuwe vrienden hadden gemaakt”, niks over het tafereel op het dakterras.
Je zou kunnen zeggen dat je niet weet wat je hier doet, maar dat weet je prima, want je bent het blauwe water gevolgd. Je wilde naar zee had je van tevoren gezegd. S. ging mee en je hebt weinig gevraagd wat hij wilde achteraf (want zo ben je als je iets in je kop haalt en dat haat je aan jezelf maar zo ging het en dus kun je er hier in een koffiecafé veel van gaan zitten vinden maar daarvoor is het nu te laat). Je ging, jullie namen de trein van Genua en nu waren jullie hier.
Je staat met R. op de rots. Een machtige, grote rots. Een hoge rots maar niet de hoogste, je hebt de middelste uitgekozen want de laagste is voor “kleuters” alhoewel eerlijkheid je gebied te schrijven dat je die kleuterrots hoog genoeg vond. Onder jullie voeten strekt het blauwe water zich uit. Je begrijpt ineens waar het cliché vandaan komt, dat mensen zeggen dat iets als je boven staat hoger is, dat klopt, hier is alles hoger. Je moeder vindt het een slecht idee dat je hier staat. Daar heb je nu geen reet aan, want je staat er al.
2.
Het gonst in het klaslokaal, want jullie moeten voor het eerst bellen. De mensen die tijdens hoorcolleges zeiden allang te weten wat een institutie was (jij had er nog nooit van gehoord, jij malle havist, je wist niet eens wat Watergate was, je zult het gevoel dat je dommer bent dan de rest nooit meer kwijtraken), die het onderwijs na de eerste week al “bagger” vonden en reikhalzend uitkeken naar de universiteit, die mensen, die mensen zeiden nu niet zoveel.
Jij ook niet, maar je had wel een telefoonnummer achterhaald, het stond op het scherm van je gloednieuwe laptop waar je nog weinig van begreep en de telefoon stond voor je neus en je leraar zegt: “Jullie gaan vandaag allemaal bellen”, there is no such time as the present, denk je, maar waarschijnlijk niet, waarschijnlijk denk je: fuck fuck fuck fuck fuck als je met bonzend hart de cijfers intoetst en de telefoon tegen je oor drukt en je bidt dat de persoon aan de andere kant niet opneemt.
“Hallo?”, hoor je.
“Hallo, met Charlotte Boudesteijn, ik ben student aan de school voor journalistiek”, begin je, de bodem is ver weg.
3.
Je hebt je leerlingen ontmoet. Met je beste vriendin ben je mentor van een brugklas. Jullie zijn zelf nog kinderen, maar ook niet, want jij luistert elke dag naar Nirvana en kinderen begrijpen niet hoe diep dat gaat. Je bent vooral hoofd en weinig lichaam, een afwijking waar je de rest van je leven last zult hebben maar waar je nu nog niet zoveel van merkt, want alle pubers zijn meer hoofd van lijf. Je betrapt jezelf op het ongemak van dat niet voelen hoe je lijf werkt als je tegen een bal aantrapt maar dat zou ook gewoon je gebrekkige hand-oog coördinatie kunnen zijn, woorden die je net hebt ontdekt.
Je ontdekt woorden en hoe die je kunnen wapenen op een manier waarop je lichaam dat niet kan. Dat is handig, want hij is er ook. Hij is net als jij mentor van een klas met nog iemand die je bent vergeten (en die je niet terug kunt halen terwijl je dit stukje schrijft tijdens de grootste onweersbui van het afgelopen jaar in een koffiecafé, godallejezus hoe heette die gast nou?). Maar hij is er ook. ‘s Avonds zitten jullie samen aan het kampvuur en je probeert een plek te vinden waar je comfortabel kunt zitten, die vind je niet, want de banken zijn houterig en dan biedt hij zijn buik aan je hoofd aan. Dat je wel op zijn buik mag komen liggen met je hoofd. Iets knettert, het is niet het vuur, je bloedbaan is ineens van knetterchocolade, zou dat het zijn?
Je twijfelt of dat handig is, Je weet eigenlijk wel zeker van niet en dan doe je het toch, want je doet dan het liefst dingen die eigenlijk niet handig zijn. Je leven is Mission Impossible, acties hebben geen consequenties. Je hoort zijn hart bonzen in zijn buik tegen je oor. Het duurt lang voor je de rook uit je haar krijgt.
4.
Je droomt in de weken voor je gaat, dat het vliegtuig hoog in de lucht hangt en dat je denkt dat je terug wilt, zoals je dat ook hebt als je bovenin de achtbaan zit en daarom haat je achtbanen: als je eenmaal boven hangt kun je niet meer terug. Je denkt dat je daarom ook vliegtuigen zult haten. Dit was je eigen idee maar dat vergeet je in de laatste weken voor vertrek eigenlijk, de gedachte verdwijnt even snel als ‘ie opkomt en dan ben je weer in paniek. Niemand begrijpt waarom je de hele tijd hysterisch bent (en hysterisch ben je, wat jank je veel in die periode, het is ongelofelijk dat er nog tranen uit je ogen komen), inclusief jijzelf.
Op de avond voor vertrek laat je je telefoon in een teil water vallen en huil je jezelf in slaap, hoe ga je dat dan doen daar, zonder telefoon, straks ga je dood (alsof een telefoon je behoedt van de dood maar daar denk je niet aan want je bent in paniek) en je bidt naar een god waar je al zeker zo’n 10 jaar niks meer aan vraagt en ‘s ochtends gaat het scherm van je telefoon aan. Je denkt niet: “Oh, god bestaat”, je denkt: “Nu heb ik geen excuus meer.”
Je huilt niet als je door de gate gaat, je huilt niet als je in het vliegtuig stapt en als je hoog in de lucht hangt voelt “je kunt nu niet meer terug” als een verruiming, en niet als een vernauwing. Je wist niet hoe het zou zijn en nu hang je hier in de lucht en denk je: zo dus.
5.
Je neemt een bus. Daarvoor nam je een vliegtuig, dat voelt jaren geleden nu, maar was op dezelfde dag. Je bent al 8 uur onderweg en je bent het land niet eens uit. Je neemt de bus en zodra je het stadje verlaat verdwijnt het bereik op je telefoonscherm. De SOS-functie werkt nog wel.
Je moest veel sokken meenemen, wat je een raar verzoek vond, maar je deed het toch, je bent nog te jong om alle gevaar volledig te bevatten en als je oud was geweest had je dit nooit gedaan. Nu ga je toch. Je vindt het maar niks eigenlijk, je hart zit al de hele dag in je keel en je hebt sinds de banaan waar je de dag mee begon niets meer gegeten. Alles in je zegt: “Ga terug”, maar je gaat niet.
Als je bus bij de halte komt, wacht daar iemand op je die Mandy zou moeten heten maar die je nog nooit hebt gezien en die gaat je naar de boerderij rijden. Mandy blijkt een snor en een strohoed te hebben en niet Mandy te heten, je bent niet meteen gealarmeerd want er is nog een jonge vrouw godzijdank. Je draagt een oude spijkerbroek maar voelt je in de ogen van Mandy die Mandy niet is voor het eerst van je leven een heuse Barbie. Dat Mandy Mandy niet is vind je niet verdacht. Je bent te blij om iemand van je eigen leeftijd te zien en stapt die auto in, naar de boerderij.
Waar je telefoon eerst nog een SOS-signaal vertoonde, verdwijnen nu alle vormen van bereik, Mandy die Mandy niet is zou hier kunnen stoppen, je keel door kunnen snijden en je in de grond kunnen stoppen en niemand zou weten waar je was. Maar daar denk je niet aan want de jonge vrouw die bij je in de auto gestapt is aan het ratelen over haar feestvakantie in Thailand en je hebt de rest van je concentratie nodig om te voorkomen dat je de hele achterbank onderkotst.
6.
Je zegt dat je er geen zin in hebt. Je bedoelt: “Ik ben bang”, maar in je inmiddels uitgebreide woordenschat zit die nog niet goed ingebakken. De wachtkamer is ruim en voelt nog ruimer omdat iedereen minstens 2 stoelen van elkaar af zit. Je draagt een mondkapje en je zweet, wat je van die periode weet is dat je de hele tijd aan het zweten was.
Op het scherm in de wachtkamer zie je kinderachtige animaties van medische noodsituaties, wat je moet doen als je partner plots stijl achterover slaat bijvoorbeeld, maar je onthoudt niet wat je dan moet doen, behalve wat je al wist is er niks over: 112 bellen. De deur gaat open en een lange vrouw roept je naam. Nu kun je de trap nog af, de deur door, de straat uit, het land uit, de wereld af.
Dat doe je niet, je loopt achter haar aan.
7.
Je moeder vindt het een slecht idee om dit te doen, weet je. R. is al naar beneden gesprongen en je ziet zijn schaars behaarde schedel boven het blauw uitsteken. Hij moedigt je aan, naast je springt een klein jongetje naar beneden alsof het niets is, zijn botten zijn nog van spaghetti, vertel je je jezelf. Jouw botten zijn dat niet, weet je en je zou: op je buik kunnen vallen of je rug, nek breken, dwarslaesie, nooit meer lopen en dan moet je elke verjaardag van je moeder horen hoe ze zegt: “Was je nou maar nooit van die klif gesprongen”.
Iedereen zegt dat het diep is hier maar er was ook iemand die zei dat hij de bodem voelde tijdens zijn landing en je vertrouwt die persoon want je kunt maar beter van het ergste uitgaan, vind je op dat moment. Je kunt nog terug, het zal gênant zijn, maar het kan nog. Maar misschien is het water wel diep genoeg, je weet het niet. Je weet het pas als je erin ligt en daarvoor moet je de sprong wagen.
8.
“Leven is risico’s nemen”, die uitspraak van je moeder kun je de rest van je leven dromen, dat weet je zeker. Ze zegt het altijd. Ook als je je vingers in je oren propt en héél hard schreeuwt, hoor je haar nog.
9.
Wat je nodig hebt, is een moment waarop je niet nadenkt hier op die klif, en je weet dat als je hier langer blijft staan je versteent en dus denk je: fuck it, maar vooral fuck fuck fuck fuck fuck en je gilt als een speenvarken en het is echt gênant want voor je zijn jongetjes gesprongen zonder ook maar een kreet maar je gilt en je gilt en je zet af en je springt, je springt, je valt, je gaat dood, je gaat echt dood en dan raken je voeten het water, dat voel je niet, het eerste wat je voelt is hoe het water om je heen spat alsof het omhoog komt naar jou toe maar het komt niet omhoog naar jou toe, je gaat omlaag daarnaartoe en de bodem is heel ver weg en natuurlijk zwem je omhoog, het is alsof je in Spa Rood valt en wat een gevoel is dat. Als je dan boven het oppervlak uitkomt, zuigen je longen zich vol met lucht en je nu weet je hoe diep het water is, want je hebt de sprong gewaagd.
Al die tijd dat je boven stond te treuzelen heeft R. schijnbaar S. gezegd dat je benen heel wit zijn. Hij vroeg zich af hoe dat mogelijk was, zulke witte benen hebben. Maar daar krijg je gelukkig op dat moment niks van mee.
10.
Het is het grootste risico dat je kan nemen. Dat zeggen mensen. Dat is ook onzin natuurlijk. Mensen ontlenen veel te veel betekenis aan iets wat mensen al zo lang doen dat niemand zich precies kan herinneren hoe lang ze het al doen. De Everest beklimmen is risicovoller maar dat ga je nooit doen. Dit is wel een Groot Risico voor jou. Misschien groter dan voor andere mensen en misschien maak je jezelf groter dan je bent. Je hebt gewikt en gewogen en geplust en gemind en uiteindelijk bood geen enkele ratio grip toen dat gevoel wat je nooit zou voelen verscheen. Je voelt je er niet beter door, zoals sommige mensen dat doen. Op slechte dagen denk je “zonder dat gevoel was het makkelijker” en op andere dagen denk je “ik wil er 10”.
Je weet dat de kans bestaat dat het ontploft in gezicht of dat de bodem sneller dichterbij is dan je denkt, je weet dat je dingen door gaat geven die je liever in je eigen lijf een stille dood had laten sterven. Je weet dat je je hart overlevert aan de shredder en daar neerlegt en dat je weet dat de shredder elk moment kan gaan draaien maar dat jij niet weet wanneer en dat dat het engste is. Het engste is: de illusie van controle over de shredder. Je weet ook dat al deze dingen opsommen echt geen enkele zin heeft want je weet wat je wilt. Je wilt trouwens ook nog de ruimte om daarover van mening te veranderen, zolang je nog terug kunt.
Het is het enige wat je kunt doen en wat je niet ongedaan kunt maken, denk je soms en dat is naïef van jezelf, want je doet zo vaak dingen die je niet ongedaan kunt maken en dat is het leven: risico’s nemen, geen onverantwoorde toch? Misschien zal iemand later dronken tegen je zeggen dat dit onverantwoord was. Je weet het niet. Het kan.
Je weet niks. Dat weet je nu al, vóór je eraan begint. Je besluit ook maar dat je niet gaat pretenderen dat je het wel weet, het voelt minder eenzaam als je ziet dat niemand het weet, weet je van jezelf. Je bent nog steeds meer hoofd dan lijf. Misschien is dat onhandig. Het helpt dat je het samen doet en dat hij meer lijf dan hoofd is. Samen zijn jullie een hoofd en een lijf.
Je voelt zijn hand stevig in de jouwe (niet zoals hij soms je hand pakt op straat, even stevig en dan verslapt ‘ie snel, nee, stevig, zo van, ik laat je nooit meer los). Jullie weten niet per se of je allebei weer boven water komt maar anderzijds zie jij de dingen altijd ernstiger in dat hij. Je denkt aan je moeder: “Leven is risico’s nemen”. Je denkt aan aan zijn grote bruine ogen en hoe als je daarin kijkt de dingen altijd minder groots en eng zijn.
Op hoop van zegen spring je naar beneden.
Liefs,
Charlotte
PS: Welkom aan alle nieuwe abonnees na de Kunstkerk van gisteren, wat heerlijk dat jullie er zijn.
Een lijstje zendingsdrang (tips)
Luistertip: Ik heb de bagger die Off Campus heet tot me genomen vorige week en had deze week een spannende lezing en daarom heb ik de hele week hiernaar geluisterd, omdat het in mijn hoofd zat, en om mezelf moed in te luisteren:
Leestip: Ik las De dichter en de duivel van Lieke Marsman in één avond uit en ik gok dat ik het de komende tijd nog een paar keer zal lezen. Ik vond het mooi, grappig, ontroerend en wijs. Marsman kon zo schitterend schrijven, altijd precies de balans vinden tussen wat ongrijpbaar is en tastbare voorbeelden, waardoor haar poëzie, voor mij, iets heel aards had en als het leven zelf was. Een heel, heel groot gemis dat ze er niet meer is.
Luistertip 2: Zomerhitje!
Leestip 2: Ondertussen lees ik ook Veranderen: Methode van Edouard Louis wat weer heel, heel goed is. Dikke tip, ik verslind zijn boeken momenteel. Ik zit sowieso Heel Erg Lekker in de Fransen dit jaar, ik las denk ik nog nooit zoveel Franse literatuur als in dit jaar.
Eettip: Ik heb sinds kort een Ninja Creami, niet omdat ik op Tiktok zit, maar omdat ik ‘m voor mijn verjaardag kreeg. Ik maakte er deze week aardbeienijs met zure room in en dat was belachelijk lekker. Dat recept kun je ook in een gewone ijsmachine maken. Het recept is van David Leibovitz. Ik maakte er een rabarbercompote bij met aardbeien, sinaasappel en rabarber (bedankt voor de tip moeder van L.!) en deed er ook een klein beetje suiker bij. Heel, heel lekker.
Kijktip: Ik keek deze week een hele reeks Creatief met Kurk, waaronder deze absolute topper.
Substack van de week
Al iets ouder dan afgelopen week, maar erg mooi, deze van `Plukpers.
Subscriben
Subscribe je nog niet? Schrijf je gratis in via onderstaande knop. Stuur De Weekstart vooral door naar al je (kantoor)vrienden die elke maandag ook vliegend van start willen gaan. Of die een hart onder de riem (ik laat me vertellen dat mensen die nog dragen) kunnen gebruiken.
Doneren
Oxfam Novib doet wereldwijd veel goed werk. Zo zorgen ze bijvoorbeeld voor noodhulp in Palestina of in Soedan. Op de website van Oxfam Novib vind je informatie over alle gebieden waar deze organisatie hulp verleent en over alle andere dingen waar deze organisatie zich voor inzet. Doneren is altijd een goed idee, al is het maar een paar euro. Alle kleine beetjes helpen.




Weer zo mooi geschreven! Ik ben jaloers op de ninja!!
Sorry maar die Kreatief met Kurk, ik zit met tranen van het lachen in m'n ogen me in te houden aan mijn bureau.